De Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie verzamelt schenkgeld om vrije initiatieven in en om vrijescholen te kunnen ondersteunen.

Geschiedenis

“Waar zijn de scholen waarnaar de kinderen op zoek zijn?”

Dat vroeg Rudolf Mees zich af in de zestiger jaren van de vorige eeuw toen hij bij Rudolf Steiner had gelezen dat het er in het begin van de 21e eeuw op aan zou komen of de moraliteit het zou winnen of dat onze maatschappij in materialisme zou wegzinken. De strijd tegen materialisme zouden jonge mensen moeten voeren en zij zouden ongetwijfeld op zoek gaan naar scholen die hen daarvoor zouden kunnen toerusten: Vrijescholen, die de vrije ontwikkeling nastreven in plaats van conditionering tot de vereisten die de maatschappij meent te moeten verwachten.

“Maar waar zijn die scholen?”, vroeg Rudolf zich toen af. Wij, de volwassenen van dit moment, zullen toch moeten zorgen dat deze er komen. Zo heeft hij de vraag herkend die Bert Rienks hem stelde in 1963.

Bert Rienks was van 1956 tot 1969 als penningmeester verbonden aan het bestuur van de Rotterdamse Vrije School. In het jaar 1963 kon er een kleuterklas-schooltje overgenomen worden in Hillegersberg, een randgemeente van Rotterdam. In een vrijstaand huis had een kleuterleidster jarenlang zelfstandig (en dus ongesubsidieerd!) een kleuterklas geleid. In verband met haar leeftijd wilde zij daarmee ophouden. Voor de Rotterdamse Vrije School was het aantrekkelijk een dependance in Hillegersberg te hebben, waardoor er meer kinderen naar de eerste klas van de vrijeschool konden door­stromen. De financiering van de overname was een struikelblok. Onderzocht moest worden of de kleuterschool (± 25 kinderen) zelfstandig kon blijven functioneren; of er gelden voor de overname gevonden konden worden en mensen die zich met dit project wilden verbinden. Na een ge­sprek met Rudolf Mees is toen een zelfstandige dependance tot stand gekomen. Dit werd financieel ondersteund door het nieuw opgerichte Kleuterfonds Vrije School (later: Fonds voor het Kleine Kind), waarin ook mevrouw May Schols – van Suchtelen een belangrijke rol heeft gespeeld, naast Wim Veltman en Jan van Wettum. Dit was het begin van de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie, hoewel deze naam pas later aan het fonds werd gegeven.

De eertijds ongesubsidieerde kleuterschooltjes, ten bate van de vroegste ontwikkelingsfase van de jonge generatie na de oorlog met een blik op het einde van de 20e eeuw werden vanuit het Kleuterfonds met leningen geholpen. Later werd vooral steun verleend aan peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, die weer een doorgangsweg vormen voor de vrije kleuterscholen. Uit de kleuterscholen groeiden nieuwe vrijescholen, naast de zeven vrijescholen die er na WO II in Nederland waren. Dat aantal groeide in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw tot bijna honderd grote en kleine vrijescholen waarvan 11 met voortgezet vrijeschoolonderwijs. Want met de komst van de vele nieuwe vrijescholen voor basisonderwijs werd er door de ouders ook gevraagd naar voortgezet onderwijs.

Zo kwam het Landelijk Bovenbouwfonds tot stand, wat ook bij de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie werd ondergebracht. Daarmee werd het mogelijk om in Groningen, Bergen, Breda, Nijmegen, Maastricht en Middelburg de start- en aflossingskosten financieel mee te dragen. Na lange onderhandelingen met het ministerie, waarbij vooral Helmut van Renesse, medewerker van de Bond van Vrije Scholen (tegenwoordige Vereniging van Vrijescholen, VvVS) genoemd moet worden, is een regeling tot stand gekomen waarmee de vier nieuwe bovenbouwen per 1 augustus 1986 subsidie kregen. In de tussenliggende jaren heeft het Landelijk Bovenbouwfonds steun verleend, maar hadden de scholen ook grote bedragen moeten lenen. Op basis van borgstellingen, van vooral ouders, was de Triodosbank bereid leningen te verstrekken. Voor de periode na 1 augustus 1986 heeft het Landelijk Bovenbouwfonds op zich genomen bij te springen voor rente en aflossing van deze leningen. Die regeling is vijf jaar van kracht geweest.

Er is nog een fonds gedurende enkele jaren actief geweest: Fonds Ambachtelijk-technische Bovenbouw. In de vrijeschool Eindhoven ontdekten een paar leerkrachten dat sommige leerlingen leren door met hun handen te werken in plaats van door verbale en schriftelijke kennisverwerving. Voor dit type leerlingen heeft Eindhoven toen in 1987 een zogenoemde Ambachtelijk-Technische Bovenbouw (ATB) opgezet. Onze Stichting heeft zes jaar lang steun gegeven om de pedagogie en het leerplan voor deze bijzondere aanpak te kunnen ontwikkelen. Na een aantal succesvolle jaren is dit initiatief door de school weer afgerond.

Met de groei van het aantal vrijescholen was het ook broodnodig dat er o.a. een lerarenopleiding van start kwam en zo kwam er ook eenStichting ter Bevordering van Opleiding en Begeleiding van Leraren in het Vrije Schoolonderwijs, kortweg:de Stichting met de lange naam. Deze stichting fuseerde met de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie en werd daarin het Fonds Ontwikkeling Vrije School Pedagogie met een eigen mandataris. De structuur van de nieuwe Stichting voorzag in een overkoepelend stichtings­bestuur dat zijn beheers­bevoegdheden overdroeg aan mandaatgroepen voor de afzonderlijke fondsen. De fondsen overlegden een paar keer per jaar met elkaar in het Algemeen Bestuur, waarin ieder fonds was vertegenwoordigd, onder leiding van het dagelijks bestuur, bestaande uit voorzitter, secretaris en penning­meester van de Stichting. Er kwam een beroepskracht, Hans Fun, die het secretariaat van de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie voerde, de behandeling van steunaanvragen voorbereidde en de scholen herinnerde aan hun solidariteitsbijdrage om alle nieuwe initiatieven mogelijk te maken. Zo konden de nieuwe scholen voor voortgezet vrijeschoolonderwijs de eerste jaren doorkomen. Zo kon de VPA (de Vrije Pedagogische Academie, later Helicon en nu, anno 2013, als speciale afdeling van de Hogeschool Leiden) in 1974 haar deuren openen. Het Vrij Pedagogisch Centrum werd opgericht. De Euritmie-academie (als onderdeel van Helicon nu ook ondergebracht bij de Hogeschool Leiden) werd ook jaren lang financieel ondersteund. Toen de landelijke opleidingsinstituten en de vrijescholen voor voortgezet vrijeschoolonderwijs volgens de gangbare normen werden gesubsidieerd door de overheid kon het Fonds Ontwikkeling Vrije School Pedagogie worden opgeheven evenals het Landelijk Bovenbouw Fonds.

Voor het vrijeschoolonderwijs in het buitenland, met name in arme gebieden, werd in 1986 een fonds ingericht, het Internationaal Hulpfonds . Het was begonnen als een steunactie voor het kleuter­schooltje Matoekoe in Suriname. Allengs is dit fonds uitgegroeid tot een fonds dat jaarlijks wel vijftig vrijescholen over de hele wereld steunde. Vooral vanaf 1996 heeft het fonds een sterke groei doorgemaakt. Per 1 januari 2001 is het fonds verzelfstandigd tot een aparte stichting IHF.

In 1999 ontving de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie een legaat van fl. 65.000,- uit de nalatenschap van Arnold Henny. Hiervoor werd het Arnold Henny Fonds ingericht met een aparte mandaatgroep. Begin 2010 is dit mandaat overgedragen aan het bestuur van de RSP. De doelstelling van dit nieuwe fonds was het bevorderen van sociale projecten binnen de vrijeschoolbeweging. Arnold Henny was een bekende persoonlijkheid in de vrijeschoolwereld. Hij gaf geschiedenisles aan de Vrije School Den Haag en aan het Eerste Vrijzinnig Christelijk Lyceum; verder is hij 40 jaar lang hoofdredacteur geweest van het blad Vrije Opvoedkunst.

Er was ook nog een Fonds Lagewaard, dat geen financiële steun gaf aan instituten, maar aan personen voor bepaalde opleidingsmogelijkheden. Dit fonds is om deze reden indertijd overgedragen aan de Iona Stichting.

Hoe kwam al dat geld bij elkaar?

Om al deze activiteiten en de hele uitbreiding van de vrijeschoolbeweging mogelijk te maken werd aan de scholen een bijdrage per leerling gevraagd. Op de ouderbijdrageformulieren was er een mogelijkheid voor een speciale vrijwillige bijdrage (aftrekbaar voor de belastingen!) ten behoeve van het werk van de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie. De scholen werd gevraagd om een jaarlijkse bijdrage per leerling van fl. 97,50 (omgerekend in euro was dit € 44,25). De af­spraken waren gebaseerd op vrijwilligheid, de meeste scholen beschouwden ze als een morele verplichting, er was geen sanctie. De Stichting heeft altijd geweigerd bekend te maken of en hoeveel een bepaalde school bijdroeg. De afspraken die werden gemaakt, waren gebaseerd op vrijwilligheid en vertrouwelijk­heid, zodat scholen elkaar niet de maat konden nemen. Er is ook nooit druk uitgeoefend door het publiceren van zoiets als een “zwarte lijst van wan­betalers”; wanbetalers bestaan niet in een vrijwillig systeem. Als een school zich niet hield aan wat was overeengekomen, is daaraan wel steeds gewerkt, want afspraak is afspraak.

Toen Hans Fun als beroepskracht begon in 1986, betaalde ruwweg een derde van de scholen de gevraagde bijdrage, een derde betaalde niets en een derde betaalde een lager bedrag dan gevraagd. Nog in het schooljaar 1986/87 zijn met alle scholen afspraken gemaakt. Vanaf dat jaar hebben alle jaren alle scholen – met uitzondering van één, hooguit twee scholen per jaar, die op dat moment bijzondere problemen hadden – bijgedragen. Al ging het gemiddelde bedrag per leerling na verloop van tijd wel achteruit. Maar er is altijd geld gevonden voor noodzakelijke steunverlening. De bijdrageregeling heeft tot en met 1995 bestaan. Nooit is in die periode een initiatief of activiteit gestrand omdat de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie geen steun heeft kunnen verlenen, hoewel het er soms heel moeilijk uitzag. Een voorbeeld: In 1988 werd duidelijk dat naast het oorspronkelijke kwartet bovenbouwen, ook Maastricht in 1989/90 een beroep zou gaan doen op het Landelijk Bovenbouw­fonds. Het probleem werd nog veel ernstiger toen ook Breda aankondigde zelf met een boven­bouw te beginnen in plaats van de leerlingen aan te melden in Eindhoven. Daar was absoluut geen geld voor en hoe moest dat nu? Het was een echt dilemma, enerzijds was het onmogelijk om de steun te weigeren. De twee vragende scholen zouden geremd worden in hun ontwikkeling, maar anderzijds konden de gevende scholen onmogelijk nog meer bijdragen. Maar wat gebeurde er? De VPA kondigde in dat jaar aan dat zij bericht hadden gekregen van het ministerie dat de subsidieregeling per 1 januari 1990 zoveel zou verbeteren, dat zij voor het jaar 1989/90 aanzienlijk minder steun nodig zouden hebben en voor de daarop volgende jaren helemaal afzagen van steun. Als door een wonder vielen deze ontwikkelingen in de tijd samen. Dat was geen toeval!

Daarnaast waren er ook vele donateurs die het werk van de stichting belangrijk vonden.

De bijdrageregeling met de scholen voor de eigen verzorgende instituten en de (eertijds) ongesubsidieerde bovenbouwen heeft bestaan tot en met het schooljaar 1994/95. Per 1 augustus 1995 is een bescheiden en verplichte bijdrageregeling (¦ 35,00 = ca € 16,00 per leerling per jaar) gecombineerd met de contributieregeling voor de Bond van Vrije Scholen (nu VvVS), aangevuld met een facultatieve bijdrage voor doelen die door de Stichting voor Rudolf Steiner Pedagogie gesteund bleven. Die echt vrijwillige, zeg maar vrijblijvende regeling heeft nog twee jaar bestaan en is gestopt omdat die niet meer werkte.

De Stichting heeft in twaalf jaar tijd, van 1986 t/m 1997,  fl. 12 mln steun verleend. Via de bijdrageregeling heeft de Stichting daarvoor ca fl. 10 mln van de scholen ontvangen plus ca fl. 1 mln voor de kosten van het werk. Achteraf gezien een geweldige prestatie van de scholen. Ca fl. 2 mln is ontvangen van particuliere schenkers. Waar een wil is, is geld!

Toekomst van de RSP

Aan het eind van de 20e eeuw waren de vrijescholen en opleidingsinstituten allemaal gesubsidieerd en werd er door de scholen een andere vorm gevraagd voor de bijdrageregeling. Er kwam een grote reorganisatie waarbij o.a. het Vrij Pedagogisch Centrum en de Bond van Vrije Scholen fuseerden tot de Vereniging van Vrijescholen. Bij deze reorganisatie veranderde er veel voor de Stichting RSP. De Stichting bleef wel als zelfstandige stichting bestaan, maar met een beperkte doelstelling. De bijdragen van de scholen voor de vrijeschoolbeweging waren niet meer op vrijwillige basis (daarvoor had Hans Fun jarenlang trouw en met begrip voor de situatie van elke school steeds maar weer gesprekken gehad en scholen ‘herinnerd’ aan hun (morele) verplichtingen!). Er werd nu voortaan een afgesproken bedrag per leerling als contributie rechtstreeks naar de Bond overgemaakt. De oorspronkelijke bedoeling van de reorganisatie was ook dat de scholen naast de verplichte contributie aan de VvVS nog een vrijwillige bijdrage aan de RSP zouden doen voor ontwikkelings- en onderzoeks­projecten voor het vrijeschoolonderwijs. Dit bleek een ijdele hoop. Dus werden de projecten voortaan beoordeeld door de VvVS en werden de deelnemende scholen verplicht om bij te dragen aan de betreffende projecten.

De Stichting RSP ondersteunt nu voortaan:

  • ontwikkelingen ten behoeve van het (heel) kleine kind;
  • vrije initiatieven ten behoeve van de vrijeschoolpedagogie, die geen beroep konden doen op subsidiëring of andere financiële ondersteuning;
  • de internationale pedagogische sectie in Dornach.

Verder is in 2002 is het beheer van het Fonds Kleine Kind overgedragen aan het bestuur van RSP. De oude structuur van een bestuur met allerlei verschillende mandaatgroepen werd met deze stap opgeheven. Op 29 april 2002 zijn de statuten van de Stichting aangepast.